Werkende ouders

Nederland telde in 2012 1,2 miljoen gezinnen met kinderen onder de twaalf jaar, bleek uit cijfers van het CBS. Bij ruim de helft heeft de ene partner een voltijdbaan - doorgaans nog altijd de man - en werkt de andere partner in deeltijd, de zogenaamde anderhalfverdieners. Bij ongeveer een kwart werkt één partner, meestal de man, fulltime terwijl de ander niet werkt (de kostwinnersgezinnen). Deze verhoudingen lagen twintig jaar geleden precies omgekeerd: toen werd vooral gewerkt volgens het kostwinnersmodel. 

Kleiner van omvang is het aantal paren waarbij beide ouders fulltime werken (8 procent), beide parttime werken (7 procent) en waarbij een van de partners parttime werkt (4 procent). Bij 3 procent van de paren met minderjarige kinderen werken beide ouders niet. Ouders die minder dan 12 uur per week werken, worden beschouwd als niet-werkend. De gegevens komen uit de Enquête Beroepsbevolking, die het Centraal Bureau voor de Statistiek sinds 1987 jaarlijks publiceert. 

Forse toename van aandeel werkende moeders
Het aandeel moeders met betaald werk is de afgelopen jaren voor alle opleidingsniveaus fors toegenomen. Dat blijkt uit de Emancipatiemonitor 2011. In 2011 werkte 72 procent van de gehuwde of samenwonende moeders met minderjarige kinderen, tegenover 57 procent in 2001. Dat aandeel is met 14 procent gegroeid. 
In 2001 werkte 49 procent van de alleenstaande moeders met minderjarige kinderen, tegenover 64 procent in 2011. Dat aandeel is met 15 procent gegroeid. Het valt op dat alleenstaande moeders relatief veel werken, in 2011 namelijk gemiddeld 27 uur per week. Moeders met een partner werken gemiddeld 24 uur per week. Moeders met een hbo- of wo-opleiding werken het vaakst: 82 procent tegen 22 procent van de moeders met alleen basisonderwijs.

Aandeel werkende vaders gelijk gebleven
Onder vaders ligt het aandeel werkenden veel hoger dan onder moeders. Van de gehuwde of samenwonende vaders met minderjarige kinderen werkte in 2011 93 procent. Dat is evenveel als in 2001. Ook is het percentage gelijk aan het percentage werkende mannen zonder kinderen. Van de alleenstaande vaders werkt in 2011 86 procent (Merens e.a., 2012).

Moeders passen hun arbeidspatroon steeds minder aan na geboorte eerste kind
Steeds minder vrouwen stoppen met werken na de geboorte van hun eerste kind. In 2001 stopte nog 19 procent van hen met werken, in 2011 is dat gedaald naar 10 procent. Van de vrouwen die bijeven werken gaat er in 2011 35 procent minder werken, in 2001 was dit nog 41 procent. De groep vrouwen die blijft werken met evenveel uren groeide van 38 procent in 2001 naar 54 procent in 2011. De groep vrouwen die niet alleen blijft werken, maar ook nog eens meer uren gaat werken blijft gelijk, namelijk 2 procent in de hele periode tussen 2001 en 2011. 
Bij vaders zijn de percentages ongeveer gelijk gebleven, in 2001 stop 6 procent van hen met werken of ging minder werken en 94 procent bleef evenveel of ging meer werken. In 2011 
is dat respectievelijk 5 procent en 95 procent (Merens e.a., 2012).

Alleenstaande ouders werken minder vaak
Alleenstaande ouders werken minder vaak dan ouders met een partner, maar het aandeel werkende alleenstaande ouders is de laatste jaren toegenomen. Daarbij is de toename van werkende alleenstaande moeders groter dan van werkende alleenstaande vaders. In 2011 werkt namelijk 64 procent van de alleenstaande moeders en 86 procent van de alleenstaande vaders. In 2001 was dat nog 56 respectievelijk 82 procent (Merens e.a., 2012).

Allochtone vrouwen hebben minder vaak betaald werk
Allochtone moeders van niet-westerse afkomst hebben minder vaak betaald werk dan autochtone moeders. In 2011 behoort 76 procent van de autochtone moeders tot de werkzame beroepsbevolking in vergelijking met 68 procent van de westerse allochtone moeders en 49 procent van de niet-westerse allochtone moeders (CBS, Statline, 2013).

(Bron: Nederlands Jeugd Instituut)

 

 

terug